Ελληνικά|English
Français
Republiek van Cyprus EmblemAmbassade van de Republiek Cyprus in BrusselMinisterie van Buitenlandse Zaken Logo

Startpagina | FAQ | Site Wegwijzer | Links | Contact
Zoeken:  
Zoeken
Uitgebreid zoeken            


De Cyprus kwestie

Ελληνικά English Français
AfdrukkenAfdrukken


In de loop van zijn geschiedenis is Cyprus, vanwege zijn historische ligging veelvuldig gekoloniseerd door de grote koloniale machten in het oostelijk deel van de Middelandse Zee. De laatste koloniale macht, Groot-Brittannië, nam in 1878 het eiland over van het Ottomaanse Rijk. De Grieks- en Turks Cyprioten leefden door de eeuwen heen vreedzaam naast elkaar en werkten vredig samen in dorpen en steden met een gemengde bevolkingssamenstelling.

Vanaf het begin van de koloniale periode hadden de Grieks-Cyprioten herhaaldelijk hun wens voor nationale zelfbeschikking kenbaar gemaakt; hun verzoek werd echter onder de internationale politieke verhoudingen vóór de Tweede Wereldoorlog telkens afgewezen. In dezelfde periode keerden de Turks-Cyprioten zich tegen de nationale aspiraties van de Grieken. De eerste politieke partij van de Turks-Cypriotische gemeenschap (KATAK, Partij voor de Bescherming van de Turkse Minderheid), opgericht in 1943, steunde de voortzetting van de Britse heerschappij. Een jaar later werd de Turkse Nationale Partij opgericht, die zijn ideologie ontleende aan de Turkse Republiek.

De zogeheten kwestie-Cyprus ontstond in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog, toen de universele roep tot zelfbeschikking der volkeren steeds luider werd hetgeen het koloniale system in een crisis deed belanden. In 1955, nadat al hun verzoeken tot zelfbeschikking waren genegeerd, gingen de Grieks-Cyprioten over tot een gewapende strijd teneinde het land te bevrijden van het koloniale regime. Geconfronteerd met deze situatie zette de Britse regering als tegenwicht de Turkse factor in en moedigde het de interventie van Ankara aan. Tot de beginjaren vijftig kenmerkte de Turkse politiek zich ten aanzien van Cyprus door steun aan de koloniale staus quo, langzamerhand echter verschoof deze politiek zich in de richting van een scheiding van het eiland langs etnische lijnen. Professor Nihad Erim, door de Turkse premier Adnan Menderes aangewezen om een politiek voor Cyprus te formuleren, stelde in een memo in november 1956 voor om het eiland geografisch op te delen en dit gepaard te laten gaan met een bevolkingsuitwisseling. Dit voorstel tot regelrechte etnische zuivering zou moeten leiden tot de oprichting van twee afzonderlijke politieke entiteiten, een Griekse en een Turkse, die zich vervolgens respectievelijk zouden aansluiten bij Griekenland en Turkije. De memo suggereerde voorts Turkse betrokkenheid voor wat betreft de veiligheid van de Griekse sector van het eiland.

De memo van professor Erim vormde voor de twintig jaar daarop de basis voor de politiek van Ankara. Het nationalistisch leiderschap van de Turks-Cyprioten werd in wezen het instrument voor de implementatie van de Turkse politiek op Cyprus. De nieuwe politiek werd gesymboliseerd door de naamsverandering van de Turkse Nationale Partij; deze heette voortaan de “Cyprus is Turks Partij”.

Spoedig landden officieren uit Turkije die hielpen met de oprichting van clandestiene Turks-Cypriotische organisaties, zoals aanvankelijk Volkan en later de TMT die tot doel hadden verzet te plegen tegen de Griekse opstand. Hun leden werden voornamelijk gerecruteerd onder paramilitaire veiligheidskrachten die het Britse koloniale bestuur had ingesteld en bestonden vrijwel uitsluitend uit Turks-Cyprioten. In een poging de Turks-Cypriotische gemeenschap volledig in zijn greep te krijgen, initieerde de TMT een terreurcampagne tegen volksgenoten in de vakbonden, het enige platform waarin leden van beide gemeenschappen samenwerkten voor economische en politieke kwesties die hen beide aangingen. Het leiderschap was dus uit op een conflict met de Grieken met als doel te komen tot een opdeling van het eiland.

In 1958, na de eruptie van vijandigheden tussen de twee gemeenschappen en de voorstellen van de Britse regering voor de opdeling van Cyprus, aanvaardde de Griekse nationale beweging, onder leiding van Aartsbisschop Makarios, een plan dat was uitgewerkt in Zürich door de regeringen van Griekenland en Turkije.

Met name de grondwet bracht een scheiding aan tussen Grieken en Turken. Verkiesbare posities werden ingenomen na het houden van afzonderlijke verkiezingen. In elke stad werden gescheiden gemeentebesturen ingesteld en voor iedere verkiesbare openbare positie werden aparte verkiezingen gehouden. Benoemde posities, zoals in het openbaar bestuur en bij de politie, werden tussen de gemeenschappen toebedeeld op basis van een verhouding 70:30. In het leger was er zelfs sprake van een ratio 60:40. De president zou altijd een Griek zijn, de vice-president een Turk, beiden apart gekozen door hun eigen gemeenschap. De Turks-Cypriotische gemeenschap genoot vetorecht voor zowel de wetgevende als de uitvoerende macht. De Turkse vice-president kon derhalve besluiten van de president blokkeren. Voorts gold dat voor de wetgeving inzake fiscale, electorale en gemeentepolitiek in het Huis van Afgevaardigden afzonderlijke meerderheden vereist waren.

Het Turks-Cypriotisch leiderschap maakte tot het uiterste gebruik van haar grondwettelijk gegarandeerde privileges om regeringsbesluiten te blokkeren waardoor het bestuur van de jonge Republiek bijzonder moeilijk en inefficiënt werd. De motieven achter deze politiek werden duidelijk aan de hand van twee uiterst geheime documenten die in december 1963 opdoken in het bureau van Niazi Plumer, een van de drie Turkse ministers in het kabinet.
De documenten betroffen de periode tussen oktober 1959 en oktober 1963 en ontvouwden tot in de kleinste details de politiek van het Turks-Cypriotisch leiderschap, een politiek waarin de Akkoorden van 1959 niet meer dan een tussenfase waren op weg naar afscheiding.

In 1963, nadat de Turkse leden van het Huis van Afgevaardigden de begroting hadden verworpen, legde president Makarios enkele voorstellen voor aan de Turks-Cypriotische vice-president ter herziening van de grondwet De voorstellen waren gericht op het wegnemen van de oorzaken van de intercommunale spanningen en op het soepeler laten functioneren van de staat, evenwel werden ze direct door Turkije verworpen, nog voordat de Turks-Cyprioten zich erover konden uitspreken. Het Turks-Cypriotisch leiderschap voegde zich in de Turkse afwijzing. In december 1963 bereikten de spanningen een hoogtepunt nadat Turks-Cypriotische politeagenten die verdacht werden van illegale wapendistributie weigerden zich aan een overheidscontrole te onderwerpen.

In december 1963 brak op Cyprus een gewapende strijd uit. Het Turks-Cypriotisch leiderschap riep onmiddellijk op tot afscheiding, Turkse politieagenten en ambtenaren legden massaal hun werk neer en Ankara dreigde met een invasie. Geconfronteerd met een zeer ernstige bedreiging voor de Republiek trachtte de regering de opstand te beteugelen maar kon weinig doen om te verhinderen dat gewapende burgers van beide zijden deelnamen aan de schermutselingen. De incidenten ontaarddden in sectarisch geweld en kostte veel onschuldige burgers in beide gemeenschappen het leven.

Deze tragische maar geïsoleerde gebeurtenissen werden door de Turks-Cypriotische nationalistische leiders gebruikt voor hun propaganda volgens welke de twee gemeenschappen niet samen konden leven, waarbij men voorbijging aan hun eigen verantwoordelijkheid voor de ontstane politieke situatie. Een groot aantal Turks-Cyprioten trok zich terug in enclaves, gedeeltelijk als gevolg van de vijandelijkheden die waren uitgebroken maar hoofdzakelijk vanwege de pogingen van hun nationalistisch leiderschap om een de facto verdeling van het eiland te forceren. Op deze wijze keerde het Turks-Cypriotische nationalistische leiderschap zich tegen leden van zijn gemeenschap die samenwerking tussen beide gemeenschappen voorstonden.

Reeds voor de crisis van kerst 1963, in april 1962, waren twee redacteuren van de Turkstalige krant Cumhurriyet, die stond voor samenwerking tussen de twee gemeenschappen, doodgeschoten door de TMT. In april 1965 werd een prominente Turks-Cyprioot, hoofd van de Turkse afdeling van de bicommunale vakbonden in een hinderlaag gelokt en vermoord door de TMT. Deze politiek van intimidatie tegen aanhangers van bicommunale samenwerking duurde voort gedurende de jaren van onafhankelijkheid.

De oprichting van de enclaves was niet altijd in overeenstemming met de verspreiding van de Turkse bevolking. De Turken poogden, tot op zekere hoogte met success, om strategische locaties in te nemen, zoals de Kokkina enclave aan de noordkust welke diende als aanvoerplaats van militair personeel en oorlogsmaterieel uit Turkije alsmede de St.Hilarion burcht die een cruciale positie innam op de weg tussen de hoofdstad en de kuststad Kyrenia.

De grootste enclave werd opgezet door het Turkse legercontingent dat, in overtreding van het Garantieverdrag, zijn kamp verliet en zich ten noorden van de hoofdstad nestelde en hiermee feitelijk de weg tussen Nicosia en Kyrenia blokkeerde. Voor Turkije waren de enclaves voornamelijk bruggehoofden die de invasie zouden faciliteren. Toen in augustus 1964 de regering van Cyprus het Kokkina bruggehoofd onder controle wilde brengen, dreigde de Turkse luchtmacht de Cypriotische Nationale Garde en de nabijgelegen Griekse dorpen met napalm aan te zullen vallen.

Een ander belangrijk doeleind van de creatie van de enclaves was de politieke en fysieke afscheiding van de twee gemeenschappen. De beweringen van de Turkse leiders dat het hen te doen was om het lot van hun gemeenschap te waarborgen stonden in schril contrast met de aanzienlijke economische en sociale gevolgen van de gedwongen afscheiding voor het gros der Turks-Cyprioten. Dit feit werd onderstreept in de rapporten van de Secretaris –Generaal van de Verenigde Naties die het volgende stelde:

“Gegeven het feit dat het Turks-Cypriotische leiderschap om politieke redenen vasthoudt aan de fysieke en geografische afscheiding van de twee gemeenschappen is het weinig waarschijnlijk dat deze haar steun zal geven aan activiteiten van Turks-Cyprioten die als alternative politiek zouden kunnen worden opgevat. Als gevolg van deze situatie kan men stellen dat er sprake is van een moedwillige politiek van segregatie van de kant van de Turks-Cyprioten” (S/6426, Rapport d.d. 10-6-1965, blz.271).

Intussen werden alle oproepen tot vrede en verzoening met de Grieks-Cyprioten werden in de kiem gesmoord. Zo werd in 1973 de leider van de Republikeinse Partij, Eichan Berberoglu, die van plan was zich bij de verkiezingen kandidaat te stellen tegen Rauf Denktas, onder druk van de TMT en de Turkse ambassadeur gedwongen van zijn voornemen af te zien en af te treden.

Naar aanleiding van de coup van de Griekse junta tegen de democratisch gekozen regering van President Makarios op 15 juli, vond Turkije het voorwendsel om zijn separatistische plannen met betrekking tot Cyprus in de praktijk te brengen. Op 20 juli lanceerden Turkse troepen een massale invasie van Cyprus. De invasie was een grove schending van het Internationaal Recht en het Handvest van de Verenigde Naties, desondanks ging Turkije over tot de bezetting van het noordelijk deel van het eiland van waaruit het de Griekse bewoners verdreef. Tegn het einde van het jaar daarop had de meerderheid van de Turks-Cyprioten die nog leefden in de door de Republiek gecontroleerde territorium zich naar het door het Turkse leger bezette gebied verplaatst. Zodoende werd de politiek van afscheiding en gedwongen bevolkingsuitwisseling die Turkije twintig jaar eerder had geïnitieerd met geweld opgelegd. De humanitaire gevolgen waren immens. Duizenden Grieks-Cyprioten waren gedood of gewond als gevolg van de Turkse invasie. Daarnaast zijn tot op de dag van vandaag zo’n 1.500 personen vermist. 1.493 gevallen van vermisten zijn voor nader onderzoek voorgelegd aan de Commissie voor Vermiste Personen welke valt onder de auspiciën van de Verenigde Naties. Als gevolg van de invasie werd 35,83% van het grondgebied van Cyprus, goed voor 70% van het economisch potentieel van het eiland, bezet door het Turkse leger. Een derde van de Grieks-Cyprioten werd vluchteling in eigen land. Tot op de dag van vandaag wordt hen door het Turkse leger ieder recht ontzegd om naar hun huizen en overige rechtmatige bezittingen terug te keren. In een poging het demografisch karakter van het eiland in eigen voordeel te veranderen heeft Turkije 114.000 kolonisten uit het Turkse vasteland laten overkomen en hen op Cyprus gevestigd. Als gevolg van de massale emigratie van Turks-Cyprioten vormen de Turkse kolonisten tezamen met de Turkse troepen inmiddels een meerderheid ten opzichte van de autochtone Turks-Cypriotische bevolking.

Middels diverse Resoluties van de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad hebben de Verenigde Naties Turkije herhaaldelijk opgeroepen tot respect voor de onafhankelijkheid en territoriale integritiet van Cyprus, de terugkeer van de vluchtelingen naar hun rechtmatige huizen en de terugtrekking van de bezettingsmacht. Helaas weigeren Turkije en het Turks-Cypriotisch leiderschap tot dusverre stelselmatig om gehoor te geven aan uitvoering vam de VN-Resoluties. De basis voor een oplossing van de kwestie-Cyprus werd vastgelegd in twee Akkoorden, het Akkoord tussen President Makarios en de Turks-Cypriotische leider Rauf Denktash gesloten in februari 1977 alsmede het Akkoord van mei 1979 tussen President Kyprianou en Rauf Denktash. Beide Akkoorden vormen de basis voor een oplossing in lijn met de VN-Resoluties.

Het meest duidelijke bewijs voor de Turkse onwil om tot een oplossing te komen die in lijn is met de VN was de eenzijdige verklaring tot oprichting van de zogeheten “Turkse Republiek Noord-Cyprus” op 15 november 1983, een stap die tot doel had de greep op het bezette gebied te consolideren. Ondanks het feit dat deze actie scherp veroordeeld is door de VN en ondanks dat de separatistische entiteit door geen enkel ander land dan Turkije is erkend, blijft de huidige situatie ongewijzigd.

Sinds 1977 hebben verschillende gesprekken onder de auspiciën van de Verenigde Naties plaatsgevonden, evenwel zonder resultaat als gevolg van de Turkse onwil zich aan te passen aan de VN-Resoluties. In januari 1989 deed de regering van Cyprus een aantal voorstellen voor de oprichting van een Fedrale Republiek en de oplossing van de kwestie-Cyprus in lijn met zowel de VN-Resoluties m.b.t. Cyprus en de twee Akkoorden van 1977 en 1979. Een ander voorbeeld dat de geode wil van de Cypriotische regering onderstreepte waren de voorstellen van President Clerides van December 1993, die onder meer voorzagen in de opheffing van de Cypriotische Nationale Garde en de overheveling van alle wapens aan de VN-Vredesmacht op Cyprus.

Turkije blijft tot op de dag van vandaag de internationale opinie stelselmatig negeren en blijft volharden in een politiek die gericht is op legitimatie van de illegale status quo welke het heeft opgelegd middels via militair geweld en welke door de internationale gemeenschap als onaanvaardbaar is veroordeeld. Op deze manier blijft Turkije de mensenrechten op Cyprus schenden en is dientengevolge meerdere malen veroordeeld door diverse internationale rechtsprekende instanties. Een van de meest in het oog springende kwesties was de rechtszaak die de Grieks-Cypriotische Titina Loïzidou voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens had aangespannen tegen de Republiek Turkije. In twee opeenvolgende vonnissen achtte het Hof Turkije schuldig omdat het Titina Loïzidou het recht ontzegde tot toegang tot haar eigendom in de bezette stad Kyrenia en verplichtte Turkije tot het betalen van een schadevergoeding. In een vonnis van 10 mei 2001 in de Vierde Interstatelijke Rechtszaak die Cyprus tegen Turkije had aangespannen, werd Turkije schuldig bevonden aan massale schending van de mensenrechten in het bezette deel van Cyprus.








Top van de pagina

Best viewed with resolution 1024 x 768

© 2006 - 2016 Republiek Cyprus, Ministerie van Buitenlandse Zaken,
Ambassade van de Republiek Cyprus in Brussel
Startpagina | Republiek Cyprus | Disclaimer | Webmaster