Ambassade van de Republiek van Cyprus in Brussel


Cyprus en de EU


Historisch Overzicht

Kenmerkend voor de eeuwenoude band tussen Cyprus en Europa is de volgende passage uit de beoordeling van de aanvraag van Cyprus voor het lidmaatschap van de Europese Unie door de Europese Commissie van 1993, welke stelt dat: “de geografische ligging van Cyprus, de diepe wortels die reeds tweeduizend jaar ten grondslag liggen aan het eiland als bron van Europese cultuur en beschaving, de diepgaande Europese invloed die zijn weerslag vindt in de gemeenschappelijke waarden met de mensen op Cyprus en hun culturele, politieke, economische en sociale leven, de intense en veelsoortige contacten met de Unie, dit alles onderstreept zonder enige twijfel het Europese karakter van Cyprus en rechtvaardigen zijn wil om tot de Unie te behoren.

Op 19 december 1972 ondertekende de Republiek Cyprus een Associatieakkoord met de toenmalige Europese Economische Gemeenschap (EEG), hetgeen op 1 juni 1972 van kracht werd. Het was de bedoeling dat de uitvoering van dit akkoord binnen tien jaar zou leiden tot een douane unie met de EEG. Het doel van het akkoord, hetgeen bestond uit twee fasen en bepalingen bevatte met betrekking tot handel, financiële en technische samenwerking ten behoeve van de gehele bevolking van het eiland, was de versterking van de economische- en handelsbetrekkingen tussen Cyprus en de EEG.

De voornaamste bepaling van de eerste fase van het Associatieakkoord voorzag in de geleidelijke reductie van tarieven ten aanzien van industriële- en landbouwprodukten. Het was de bedoeling dat deze fase zou aflopen in juni 1977. Deze werd echter verlengd tot eind 1987 toen een additioneel protocol werd getekend voor de uitvoering van de tweede fase.

Dit protocol, hetgeen als voorbereiding diende voor een douane unie, werd op 1 januari 1988 van kracht en voorzag, in de eerste fase, de reductie door Cyprus van douanetarieven en quota voor industriële produkten (behalve voor olieprodukten en 15 andere categorieën van strategisch gevoelige produkten) alsmede voor 43 landbouwprodukten zoals aangegeven door het Associatieakkoord, het overnemen door Cyprus van het gemeenschappelijke douanetarief en de harmonisatie van gerelateerde beleidsvelden voor wat betreft concurrentie, subsidies en algemene wetgeving.

De tweede fase van het protocol voorzag in de eliminatie van alle overgebleven restricties in het kader van de douane unie, het vrije verkeer van landbouw- en industrieprodukten en de adoptie van gerelateerde wetgeving noodzakelijk voor de voltooiing van de douane unie. Echter, in verband met de start van de toetredingsonderhandelingen in maart 1998 werden de onderhandelingen voor de uitvoering van de tweede fase als overbodig beschouwd.


Aanvraag van het lidmaatschap-Pre-accessie Strategie



Op 3 juli 1990 diende de Republiek Cyprus een aanvraag in voor lidmaatschap van de toenmalige Europese Gemeenschap (EG). Na uitvoerige bestudering van de aanvraag bracht de Europese Commissie op 30 juni 1993 haar Opinie uit, waarmee het Europese karakter en de Europese identiteit van het eiland werden erkend. De Commissie bevestigde dat Cyprus voldeed aan de criteria voor lidmaatschap en dat het dientengevolge het recht had om lid te worden van de Europese Unie (EU).

Op 4 oktober 1993 nam de Europese Raad de Opinie van de Commissie in zijn geheel over en stelde onder andere het volgende: “De Raad onderschrijft de benadering van de Commissie een vreedzame, evenwichtige en duurzame oplossing van de kwestie-Cyprus voor te stellen, hierbij gebruik makend van alle instrumenten van het Associatieakkoord teneinde de Cypriotische regering bij te staan in zijn pogingen Cyprus economisch, sociaal en politiek te integreren in de Europese Unie.”

In 1993, na de publicatie van de Opinie, begon een reeks inhoudelijke besprekingen tussen Cyprus en de Unie die in 1995 werden afgerond. Hiertoe richtte Cyprus 23 werkgroepen op. Iedere werkgroep diende zich eigen te maken met de afzonderlijke hoofdstukken van het Acquis Communautaire waaraan Cyprus zijn wetgeving diende aan te passen.

Tijdens de Europese Raad van 25 juni 1994 werd bepaald dat Cyprus en Malta zouden deelmaken van de volgende uitbreidingsfase van de EU, een besluit dat werd bevestigd op de Europese Raad van Essen op 10 december van datzelfde jaar.

Op 6 maart 1995 bevestigde de Raad van Algemene Zaken van de EU dat Cyprus geschikt was om tot de Unie te mogen toetreden en bepaalde dat zes maanden na de afronding van de Intergouvernementele Conferentie van 1996 toetredingsonderhandelingen met Cyprus zouden beginnen.

Vervolgens werd een pre-accessie strategie geformuleerd voor de voorbereiding van de toetreding van Cyprus tot de EU, die een gestructureerde dialoog tussen beide zijden voorzag. Deze dialoog, die tevens een politiek hoofdstuk op alle niveaus omvatte, bleek een uitermate nuttig instrument voor de aanpassing van Cyprus aan het Acquis Communautaire en voor zijn voorbereiding voor het lidmaatschap. Tevens was Cyprus in de gelegenheid om volwaardig te participeren in diverse communautaire programma’s zoals Leonardo da Vinci, Socrates en Youth for Europe.

Het besluit van 6 maart 1995 gaf een nieuwe impuls aan de relatie tussen Cyprus en de Europese Unie en bracht het uitzicht van lidmaatschap een stuk dichterbij op een moment dat de EU zich voorbereidde op de volgende uitbreiding.

Op 15 juli 1997 gaf de Commissie de zogeheten “Agenda 2000” uit waarin de mogelijke effecten van de toekomstige uitbreiding uiteen werden gezet. Afgezien van voorstellen voor de toekomstige ontwikkeling van de Unie, bevatte het document tevens specifieke passages met betrekking tot Cyprus. De Commissie bevestigde zijn Opinie van 1993 en voegde hieraan toe dat “het overeengekomen tijdschema voor het begin van toetredingsonderhandelingen met Cyprus betekent dat deze kunnen beginnen voordat een politieke oplossing is gevonden. Mocht voor het begin van de toetredingsonderhandelingen geen vordering zijn gemaakt met het vinden van een oplossing, zullen de onderhandelingen van start gaan met de regering van de Republiek Cyprus als de enige door het internationaal recht erkende autoriteit.”

Tijdens de Europese Raad van 10-13 december in Luxemburg werd besloten tot het begin van een nieuw uitbreidingsproces met tien kandidaat lidstaten, waaronder Cyprus. Het besluit voorzag onder andere een verbeterde pre-accessie strategie en specifieke hulp aan de kandidaat lidstaten om het toetredingsproces te faciliteren. Bovendien werd besloten om toetredingsonderhandelingen te beginnen met Cyprus, Hongarije, Polen, Tsjechië, Estland en Slovenië. De onderhandelingen begonnen op 31 maart 1998.

De Raad besloot daarnaast een Europese Conferentie op te zetten om de vijftien lidstaten van de Unie samen te brengen met de “Europese aspirant lidstaten die de waarden en interne en externe doeleinden van de Unie delen.”

Op 12 maart 1998 nodigde de President van de Republiek Cyprus de Turks-Cypriotische gemeenschap uit om vertegenwoordigers te benoemen die zouden deel uitmaken van het onderhandelingsteam voor de toetredingsonderhandelingen met de EU. Het door de EU begroette voorstel werd evenwel helaas verworpen door het Turks-Cypriotische leiderschap.

Op de Europese Raad van Helsinki van 10-11 december 1999 werd gesteld dat “een politiek akkoord de toetreding van Cyprus zou vergemakkelijken. Mocht bij de afronding van de toetredingsonderhandelingen er nog geen politiek akkoord zijn, zal de Raad over de toetreding besluiten zonder het bovenstaande als voorwaarde in ogenschouw te nemen. Hiertoe zal de Raad rekening houden met alle relevante factoren.” De Conlusies van de Europese Top van Helsinki lieten er geen misverstand over bestaan dat eventuele niet oplossing van de kwestie Cyprus geen belemmering zou vormen voor de toetreding van het eiland tot de EU.

Tijdens de Top van Nice op 7-9 december betuigde de Europese Raad zijn steun aan de pogingen van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties om te komen tot een geheelomvattende oplossing voor de kwestie Cyprus conform de Resoluties van de VN Veiligheidsraad en riep alle betrokken partijen op hiertoe de nodige bijdrage te leveren.

Op de Top van Gothenburg van 15-16 juni 2001 werd het gewenste tijdsschema aangegeven waarop de eerste toetreding gerealiseerd zou moeten zijn. De Europese Raad bevestigde dat het toetredingsproces inmiddels onomkeerbaar was en dat de kandidaat lidstaten tegen de tijd van de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2004 zouden moeten zijn toegetreden tot de Unie.

Tijdens de Europese Raad in Laken (14-15 december 2001) stelde de EU zich tot doel de toetredingsonderhandelingen met de kandidaat lidstaten tot het einde van 2002 succesvol af te ronden zodat deze als volwaardige lidstaten konden meedoen aan de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2004. Tevens werd benadrukt dat alle kandidaat lidstaten zouden worden beoordeeld op hun eigen merites conform het zogeheten “differentiatiebeginsel”. De Raad begroette het rapport van de Commissie waarin werd gesteld dat indien de toetredingsonderhandelingen zich in hetzelfde tempo zouden voortzetten, Cyprus, Estland, Hongarije, Litouwen, Malta, Polen, Slowakije, Tsjechië en Slovenië binnen het voorziene tijdsschema lid zouden kunnen worden van de Unie.

De Raad van Sevilla (21-22 juni 2002) herbevestigde het voornemen van de EU om de toetredingsonderhandelingen met de tien kandidaat lidstaten tegen het einde van 2002 af te ronden, in het geval deze hiervoor klaar zouden zijn, en herhaalde het voornemen voor deelname van deze landen aan de Europese verkiezingen als volwaardige lidstaten.

Uitbreiding was een belangrijk agendapunt van de Europese Raad van 24-25 oktober onder het voorzitterschap van Denemarken. In zijn Conclusies gaf de Raad zijn goedkeuring aan de bevindingen van de Commissie dat de tien kandidaat lidstaten aan alle politieke criteria voldoen en in staat zullen zijn om te voldoen aan de economische criteria en de verplichtingen van lidmaatschap aan het begin van 2004. Tegelijkertijd bevestigde de Raad zijn voornemen om de toetredingsonderhandelingen tijdens de Europese Top van 12-13 december 2002 in Kopenhagen definitief af te ronden en het Toetredingsverdrag in april 2003 in Athene te ondertekenen.

Het lange toetredingsproces werd afgerond tijdens de Top van Kopenhagen in december 2002 waar het historisch besluit werd genomen om Cyprus en de negen overige kandidaat lidstaten per 1 mei 2004 tot de Unie toe te laten treden. Cyprus was overigens het eerste land dat de toetredingsonderhandelingen binnen het voorziene tijdsschema had afgerond.

In zijn historisch besluit stelde de Europese Raad dat: “De Europese Raad van Kopenhagen in 1993 initieerde een ambitieus proces om een einde te maken aan de conflicten en de verdeling in Europa. Vandaag is een historische mijlpaal bereikt met de voltooiing van de toetredingsonderhandelingen met Cyprus, Estland, Tsjechië, Hongarije, Litouwen, Letland, Malta, Polen, Slowakije en Slovenië. De Unie kijkt ernaar uit deze landen per 1 mei 2004 als nieuwe lidstaten te verwelkomen. Dit resultaat onderstreept de gezamenlijke vastberadenheid van de Europese volkeren om samen te komen in een Unie die zich heeft ontwikkeld als drijvende kracht voor vrede, democratie, stabiliteit en voorspoed op ons continent. Als volwaardige leden van een Unie gebaseerd op solidariteit, zullen deze staten gezamenlijk bijdragen tot de verder ontwikkeling van het Europese project.”

De Europese Raad stelde voorts: “Door het succesvol afronden van de toetredingsonderhandelingen heeft de Unie zich gehouden aan haar toezegging om de tien kandidaten als lidstaten te laten participeren in de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2004. Het Toetredingsverdrag voorziet dat de Commissieleden van de nieuwe lidstaten hun plaats in de huidige Commissie zullen innemen op de dag van toetreding op 1 mei 2004. Na de nominatie van een nieuwe voorzitter van de Commissie door de Europese Raad zal het nieuw gekozen Europees Parlement oordelen over de nieuwe Commissie, die op 1 november 2004 zijn werkzaamheden zal beginnen. Op dezelfde datum zullen ook alle bepalingen van het Verdrag van Nice voor wat betreft de Commissie en de stemmenweging in de Raad van kracht worden. De noodzakelijke consultaties met het Europees Parlement betreffende deze aangelegenheden zullen tegen het einde van januari 2003 worden afgerond. Alle bovenstaande bepalingen waarborgen de volle participatie van de nieuwe lidstaten binnen het institutioneel raamwerk van de Unie.”

Tevens werd vermeld dat: “De huidige uitbreiding biedt de basis voor een Unie met sterke vooruitzichten voor duurzame groei die van wezenlijk belang is voor de consolidatie van stabiliteit, vrede en democratie in Europa en daarbuiten. Conform hun nationale ratificatieprocedures zullen de huidige lidstaten en de toetredende landen het Toetredingsverdrag ondertekenen hetgeen op 1 mei 2004 van kracht zal worden.”

Op 16 april 2003 ondertekende de President van de Republiek Cyprus Tassos Papadopoulos het Verdrag van Toetreding van Cyprus tot de Europese Unie. De ondertekening van het verdrag, hetgeen plaatsvond tijdens een speciale ceremonie in Athene, vormt een zeer belangrijke stap in de richting van Europese eenwording en is een mijlpaal in de moderne geschiedenis van Cyprus.

Tijdens de ondertekening van het Toetredingsverdrag verklaarde President Papadopoulos het volgende: “De ondertekening van het Toetredingsverdrag vormt een groots en historisch moment hetgeen de toekomst van Cyprus verankert in een Europees perspectief. Tegelijkertijd vormt het de bekroning van een reusachtige inspanning van de Cypriotische maatschappij en markeert het de opname in een familie waar het geografisch, historisch, cultureel, economisch en politiek toe behoort.

Deze historische prestatie krijgt een extra dimensie tegen de achtergrond van de specifieke situatie in Cyprus, de invasie en de voortdurende Turkse bezetting van een deel van het land en de tragische gevolgen hiervan.

Niet alleen heeft Cyprus de enorme gevolgen van de bezetting weerstaan, het heeft tevens, ondanks de overweldigende moeilijkheden en hindernissen, door hard werk, volhardendheid en geduld, het doel van toetreding bereikt. Cyprus wil nu de voorwaarden creëren zodat de bezetting beëindigd wordt en een vreedzame, duurzame, functionele en rechtvaardige oplossing voor de kwestie Cyprus kan worden gevonden voor alle Cyprioten en ter wille van de vrede, veiligheid en stabiliteit in de oostelijke Middellandse Zee.

Voor het bereiken van dit historisch resultaat was de steun van de Griekse regering en het Griekse volk van doorslaggevende betekenis. Cyprus is veel dank verschuldigd aan alle lidstaten van de Europese Unie, de Commissie en het Europees Parlement.

Vanaf heden heeft Cyprus de mogelijkheid om al zijn burgers, inclusief de Turks-Cyprioten, vrede en veiligheid maar ook de visie en immense vooruitzichten die de toetreding tot de Europese Unie met zich meebrengen te bieden.

De toetredingsonderhandelingen van Cyprus hebben plaatsgevonden in een positief en constructief kader. Cyprus heeft gedurende het gehele uitbreidingsproces telkens de beste en snelste prestaties geleverd en is herhaaldelijk geprezen door de EU voor de voorbeeldige manier waarop het de toetredingsonderhandelingen heeft gevoerd.

Gedurende de afgelopen jaren heeft het harmonisatieproces zich in een snel tempo voltrokken en de Cypriotische maatschappij heeft alle nodige offers gebracht teneinde klaar te zijn voor opname in de Europese familie. Daarnaast heeft het overheidsapparaat zich, in nauwe samenwerking met het parlement en maatschappelijke groeperingen, zich met goed resultaat van zijn taak gekweten voor het bereiken van dit ambitieuze doel.”

Toetredingsonderhandelingen en harmonisatieproces


In maart 1998 werd voormalig President van de Republiek George Vassiliou tot hoofd van het onderhandelingsteam en coördinator van het harmonisatieproces benoemd. De eerste fase van de toetredingsonderhandelingen, die in het geval van Cyprus op 3 april 1998 van start gingen, bestond uit de bestudering van het Acquis Communautaire, een proces dat bekend staat als Acquis screening. Dit proces had tot doel vast te stellen welke wijzigingen dienden plaats te vinden teneinde de nationale wetgeving te harmoniseren met die van de EU. De screening fase van de onderhandelingen werd afgerond in 2000.

Sindsdien vond het screening proces plaats binnen het raamwerk van de toetredingsonderhandelingen. Inhoudelijke discussies over afzonderlijke hoofdstukken van het Acquis begonnen op 10 november 1998.

Gedurende de gehele periode van de toetredingsonderhandelingen was het voor de Cypriotische regering absolute prioriteit om deze tijdig af te ronden. De regering was zich ten volle van bewust van het feit dat het toetredingsproces niet alleen harmonisatie met het Acquis behelsde maar tevens betekende dat de nodige bestuurlijke capaciteit moest worden gewaarborgd voor de implementatie van de geharmoniseerde wetgeving en het toezicht op de uitvoering hiervan.

De 31 hoofdstukken waarover met succes is onderhandeld waren als volgt: vrij verkeer van goederen, vrij verkeer van kapitaal, vrijheid van dienstverlening, vrij verkeer van personen, ondernemingswetgeving, visserijaangelegenheden, economische en monetaire unie, statistiek, social beleid en werkgelegenheid, industriële politiek, midden- en kleinbedrijf, wetenschap en research, onderwijs, telecommunicatie en informatie technologie, cultuur en audiovisuele media, consumentenzaken en volksgezondheid, douane unie, externe betrekkingen, gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid, financiële controle, energie, transport, milieu, justitie en binnenlandse zaken, regiobeleid, belastingen, instellingen, concurrentiebeleid, landbouw, begrotingsbeleid.

In november 1998 bracht de Commissie zijn eerste beoordelingsrapport uit met betrekking tot de vorderingen van Cyprus in de richting van toetreding tot de Unie, hetgeen een zeer positief beeld schetste over de aanpassing van Cyprus aan het Acquis. Een jaar later, in november 1999 volgde een soortgelijke positieve evaluatie van de Commissie.

In november 2000 bracht de Commissie zijn derde beoordelingsrapport uit over Cyprus. Het rapport meldde dat Cyprus een van de slechts twee landen was die volledig voldeed aan alle politieke en economische Kopenhagen criteria en dat het zeer wezenlijke vorderingen had gemaakt voor wat betreft de aanpassing aan het Acquis. Op 15 mei 2001, tijdens de Associatieraad EU-Cyprus, feliciteerden de ministers van Buitenlandse Zaken Cyprus met zijn enorme vorderingen.

Het beoordelingsrapport van 13 november 2001 stelde wederom vast dat Cyprus een zeer substantiële vooruitgang had geboekt ten aanzien van aanpassing aan het Acquis en registreerde de wil van Cyprus om de toetredingsonderhandelingen zo spoedig mogelijk af te ronden. Het rapport meldde dat Cyprus nog immer aan alle Kopenhagen criteria voldeed.

Het beoordelingsrapport van 2002 stelde vast dat Cyprus en Malta de enige kandidaat landen waren die voldeden aan zowel de politieke als economische Kopenhagen criteria en herhaalde de conclusies van het rapport van 2001 waarbij tegelijkertijd werd geconstateerd dat Cyprus in de tussenliggende periode een aanzienlijke economische groei had vertoond. De Commissie constateerde voorts dat Cyprus zich goed had aangepast aan de meeste gebieden van het Acquis en dat het grote vorderingen had gemaakt in de vorming van een ambtelijk apparaat dat garant stond voor het toezicht van de implementatie van het Acquis op een groot aantal beleidsvelden. Op basis hiervan concludeerde de Commissie dat Cyprus in staat zou zijn om binnen het voorziene tijdsschema de toetredingsonderhandelingen af te ronden.


Financiële/technische samenwerking



Sinds 1977 ondertekenden Cyprus en de EEG vier protocollen voor financiële en technische samenwerking welke voorzagen in een financieel steunpakket ter waarde van 210 miljoen ECU. Dit pakket was onder andere bestemd voor leningen, giften, specifieke leningen en de verlening van risicodragend kapitaal.

Het totale bedrag van de eerste twee protocollen (respectievelijk 30 en 40 miljoen ECU) werd gebruikt voor de financiering van openbare werken voor de verbetering van de infrastructuur zoals bv. het rioleringsproject in Nicosia (Fase II), het watervoorzieningsproject Vassilikos-Pentaskinos, het Dhekelia energieproject, het zogeheten Southern Conveyor Project (fase I) alsmede het Nicosia Master Plan dat de constructie van de Ledras/Onasagorou straten en de Kyrenia Avenue in het bezette gedeelte van Nicosia omvatte.

Een deel van de middelen die voortvloeiden uit de financiële protocollen werd ook gebruikt voor bicommunale projecten en kwam ten goede van de Turks-Cypriotische gemeenschap.

Het derde financiële protocol hetgeen een totaalbedrag van 62 miljoen ECU voorzag en hetgeen was ondertekend in 1989, was bestemd voor de financiering van projecten in de nijverheidsssector teneinde deze klaar te stomen voor de concurrentie in het kader van de douane unie tussen Cyprus en de EG.

In 1995 werd het vierde financiële protocol ondertekend hetgeen de periode 1995-98 besloeg. Het voorzag onder meer in de vrijmaking van 74 miljoen ECU. 50 miljoen ECU was bestemd voor leningen, 22 miljoen ECU voor giften, 2 miljoen ECU voor risicodragend kapitaal. Het protocol was bestemd voor de financiering van projecten ter wille van de verdere economische en sociale ontwikkeling van Cyprus alsmede van projecten die de overgnag van de Cypriotische economie zouden vergemakkelijken tegen de achtergond van de toetreding van het land tot de EU.

Op 10 maart 1999 werd een additioneel protocol overeengekomen voor de verlenging van het vierde financiële protocol tot 31 december 1999, hetgeen met name bestemd was voor technische hulp en de ondersteuning van initiatieven voor de oplossing van de kwestie Cyprus.

De bicommunale projecten onder het vierde protocol omvatten civil society projecten en de vertaling van delen van het Acquis Communautaire in het Turks.


Financiële regulering 555/2000



In maart 2000 gaf de Raad van Minsiters zijn goedkeuring aan de zogeheten regulering voor de implementatie van de pre-accessie strategie van Cyprus en Malta (2000-2004). Regulering 555/2000 voorzag in de allocatie van 57 miljoen ECU aan Cyprus bedoeld voor de uitvoering van de pre-accessie strategie.

De projecten die werden gefinancierd door bovenstaande financiële regulering vielen binnen het kader van het Accessie Partnerschap van Cyprus alsmede van het Nationaal Programma voor de Uitvoering van het Acquis. Een speciale bepaling voorzag in de financiering van bicommunale projecten teneinde de Grieks- en Turks-Cyprioten nadir tot elkaar te brengen. De allocatie van de middelen wordt aangegeven in onderstaande tabel:



JaarTotaal bedrag (miljoen €) Bedrag voor bicommunale projecten (miljoen €)
20009.03.0
200111.53.8
2002124.0
2003124.0
200412.54.2



De bicommunale projecten voor de periode 2000-2001 omvatten de restauratie van de oude stadskern van Nicosia aan weerszijden van de bestandslijn, de verbetering van de contacten tussen de vakbonden alsmede een communicatiestrategie voor de voorlichting van het publiek met betrekking tot communautaire onderwerpen.

De regering van de Republiek Cyprus is groot voorstander van bicommunale projecten en moedigt deze graag aan ter wille van een betere samenwerking tussen Grieks- en Turks-Cyprioten met als uiteindelijk doel hen samen te brengen in een staat conform de Resoluties van de Verenigde Naties.

Algemeen gesproken hebben de handelsbetrekkingen tussen Cyprus en de EU zich zeer voorspoedig ontwikkeld. In 2000 bedroeg de totale waarde van de Cypriotische export naar de EU 999 euro (in 1999 nog 607 miljoen euro) terwijl gedurende dezelfde periode het totale exportvolume van de Unie richting Cyprus 3.109 euro bedroeg (in 1999 nog 2.368 euro) .


Gezamenlijke Parlementaire Commissie EU-Cyprus



Op 12 december 1991 nam het Huis van Afgevaardigden van Cyprus na een plenair debat met als thema de toetreding van Cyprus tot de EU een resolutie aan, gericht aan het Europees Parlement, waarmee het uiting gaf aan zijn wens een gezamenlijke Parlementaire Commissie op te zetten

Het Europees Parlement besloot op 15 januari de wens van het Cypriotisch Huis van Afgevaardigden te honoreren en gaf het groene licht voor de oprichting van een Gezamenlijke Parlementaire Commissie.

Het Gezamenlijk Commissie bestond uit 31 leden, waarvan 19 Europlarlementariërs en 12 leden van het Cypriotisch Huis van Afgevaardigden. De Commissie had twee co-voorzitters (een voor elke zijde) en vier vice-voorzitters (twee van elke zijde).

De belangrijkste doelen van de Gezamenlijke Parlementaire Commissie waren de uitwisseling van gedachten en de verbetering van de relatie tussen beide parlementen, de ondersteuning van de toetredingsprocedure van Cyprus alsmede van initiatieven voor het vinden van een rechtvaardige en duurzame oplossing van de kwestie-Cyprus.

De Gezamenlijke Parlementaire Commissie kwam op 17 maart 1992 in Brussel bijeen.

De Commissie vergaderde twee maal per jaar, een keer in Cyprus, een keer in Straatsburg..
Het Bureau van de Commissie kwam voor iedere vergadering bijeen om de agendapunten vast te stellen.

Tijdens de vergaderingen kwamen diverse onderwerpen aan de orde zoals de kwestie-Cyprus, de uitbreiding van de EU, de relatie Cyprus-EU in het licht van de toetredingsprocedure van Cyprus, de Euro-Meditterrane dialoog, het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid, de toekomst van Europa, alsmede andere onderwerpen van wederzijds interesse zoals sociaal beleid, handel, milieu en landbouw.

De Gezamenlijke Parlementaire Commissie heeft altijd een niet geringe rol gespeeld bij het ondersteunen van pogingen om te komen tot een rechtvaardige en duurzame oplossing van de kwestie Cyprus en heeft voor wat betreft de onvoorwaardelijke toetreding van Cyprus tot de EU een groot aantal resoluties uitgevaardigd. De Gezamenlijke Commissie nodigde geregeld vertegenwoordigers uit van het Voorzitterschap, de Europese Raad, de Europese Commissie en de regering van Cyprus om deel te nemen aan de vergaderingen zodat informatie uit eerste hand kan worden verkregen ten aanzien van de stand van zaken in de betrekkingen tussen Cyprus en de EU. De Gezamenlijk Parlementaire Commissie organiseerde ook geregeld studiereizen naar Cyprus teneinde nader kennis te maken met de diverse onderwerpen die tijdens de vergaderingen aan de orde kwamen.


Cyprus en het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid (GBVB)



Het Verdrag van Amsterdam hetgeen op 1 mei 1999 van kracht werd, voorzag in een serie mogelijkheden voor de verdere verbetering van het buitenlands beleid van de EU.

Het GBVB is vastgelegd in het Verdrag van Maastricht hetgeen de Europese Politieke Samenwerking institutionaliseerde binnen één raamwerk.

Het GBVB heeft vijf fundamentele doeleinden:
    • Het waarborgen van de gemeenschappelijke waarden, de fundamentele belangen, de onafhankelijkheid en integriteit van de EU conform het Handvest van de VN.
    • Versterking van de veiligheid van de EU.
    • Waarborgen van de vrede en versterking van de internationale veiligheid conform het Handvest van de VN alsmede de beginselen van de Helsinki Final Act en de doeleinden van het Handvest van Parijs (Paris Charter).
    • Bevordering van de internationale samenwerking.
    • Behoud van de vrede en consolidatie van de democratie en het internationaal recht en respect voor de mensenrechten.

Het GBVB wordt aangestuurd door:
    • De Europese Raad (staatshoofden, regeringsleiders en voorzitter Europese Commissie)
    • De Raad van Ministers (Ministers van Buitenlandse Zaken en de Commissaris voor Externe Relaties)
    • Het Comité van Permanente Vertegenwoordigers (COREPER) bestaande uit ambassadeurs van de lidstaten en de vice secretaris-generaal van de Commissie.
    • Het Politiek Comité (Directeuren Politieke Aangelegenheden en de Commissie)
    • Europese rapporteurs van EU-lidstaten
    • GBVB werkgroepen bestaande uit experten van de EU-lidstaten en de Commissie.
    • GBVB adviseurs van de EU-lidstaten

Het Verdrag van Amsterdam introduceerde het ambt van Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB. Deze is de secretaris-generaal van de Raad en staat het Voorzitterschap bij inzake de externe vertegenwoordiging van de EU en bij de implementatie van besluiten binnen het kader van het GBVB.

Instrumenten GBVB
    • Definitie van de beginselen en algemene richtlijnen voor het GBVB.
    • Gemeenschappelijke strategieën aangenomen door de Europese Raad.
    • Gemeenschappelijke acties (bindend)
    • Gemeenschappelijke posities (bindend)
    • Systematische samenwerking

De buitenlandse politiek van Cyprus is in lijn met het buitenlands beleid van de EU. Cyprus heeft geregeld dezelfde posities ingenomen als de EU waarmee een hoge mate van convergentie bestaat voor wat betreft buitenlands beleid en heeft diverse EU- declaraties onderschreven.

Krachtens een besluit van de Top van Kopenhagen heeft Cyprus vanaf 17 april 2003, binnen het kader van het GBVB als kandidaat lidstaat de rol van waarnemer uitgeoefend tijdens vergaderingen, conferenties en workshops op ministerieel niveau alsmede op het niveau van Directeur Politieke Aangelegenheden, senior beleidsmedewerkers en experts.

Tijdens deze bijeenkomsten komen diverse onderwerpen aan de orde zoals terrorisme, de Balkan, Centraal-Azië, de mensenrechten, non-proliferatie, export van conventionele wapens, drugs, Verenigde Naties, OVSE etc.

De actieve deelname van Cyprus aan deze bijeenkomsten dragen op positieve en constructieve wijze bij aan het verbreden van de doeleinden van de EU. Tegelijkertijd neemt Cyprus ook actief deel aan diverse bijeenkomsten die samenhangen met het Barcelona Proces. Voorts heeft Cyprus de samenwerking met de EU geïntensiveerd op diverse internationale fora zoals de VN en de OVSE.


Europees Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB)



Tijdens de Europese Raad van Keulen van 3-4 juni 1999 werd besloten dat de EU zijn internationale rol zou moeten optimaliseren en dat deze voor het bereiken van dit doel zou moeten worden uitgerust met de nodige middelen-zowel materiaal als manschappen-teneinde in staat te zijn zijn taken op het gebied van het EDVB op een doeltreffende manier uit te voeren.

De Europese Raad heeft sindsdien alle noodzakelijke procedures in gang gezet voor de samenstelling van een infrastructuur en troepen die uitvoer zouden kunnen brengen aan het gehele spectrum van de zogeheten Petersberg taken (conflictpreventie, crisismanagement).

Conform de conclusies van de Top van Kopenhagen kijkt Cyprus als actieve waarnemer ernaar uit een optimale bijdrage te leveren aan het EDVB en met name aan de pogingen vor de realisatie van het zogeheten “Headline Goal”.

De vorming van een Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid vereist stabiliteit, democatie, respect voor de mensenrechten en consolidatie van het internationaal recht in Europa en daarbuiten.

Cyprus verwelkomt de bepalingen betreffende de niet-EU NAVO partners en de andere landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de EU voor de bevordering van de dialoog, de consultatie en samenwerking op het gebied van het EDVB.

Op basis hiervan heeft de Republiek Cyprus deelgenomen tijdens de zogeheten Capability Commitment Conference of Defence Ministers op 21-11-2000 en de Police Capabilities Commitment Conference of Ministers responsible for Police op 19-11-2001 in Brussel en hierbij zijn bijdrage aan zowel de militaire als civiele aspecten van de vredestaken voorgelegd.

De Republiek Cyprus ondersteunt de doeleinden van het EDVB en gelooft in de bevordering van de waarden van de Unie ten aanzien van de humanitaire solidariteit en het respect voor de mensenrechten en is van mening dat, wil de EU zijn geloofwaardigheid in de ogen van zijn eigen burgers alsmede die van de internationale gemeenschap versterken, het een coherent veiligheids- en defensiebeleid dient te ontwikkelen.

Tegen deze achtergrond wil Cyprus, voorzover zijn mogelijkheden het toelaten, bijdragen aan de opbouw van een structuur die het mogelijk maakt autonome vredesoperaties uit te voeren. Vermeld zij evenwel dat in lijn met het voorstel van de regering tot demilitarisatie van Cyprus en zijn pogingen om te komen tot een vreedzame oplossing van de kwestie-Cyprus, zijn militaire bijdrage geen gevechtsklare eenheden omvat noch zwaar materieel en dat deze zich in plaats daarvan beperkt tot ondersteunende taken.

Voor wat betreft de civiele tak van het EDVB beschouwt Cyprus het besluit van de Europese Raad van Feira op 19-20 juni 2000 voor de samenstelling van een Europese Politie Macht van 5000 manschappen in 2003 als een verdere stap in de richting van Europese integratie. Naast de politieke steun voor dit initiatief is Cyprus ook gaarne bereid actief deel te nemen aan deze politiemacht. Cyprus neemt inmiddels deel aan de politiemacht met 30 politieagenten en is bereid dit aantal te verhogen in het geval de EU actie onderneemt in de geografische nabijheid van Cyprus.

De Republiek Cyprus begroet tevens de oprichting van een Politiemissie onder de vlag van de EU (EUPM), welke een belangrijke rol speelt voor de versterking van de rechtsstaat in Bosnië-Herzegowina.

Als toetredende EU staat is Cyprus graag bereid deel te nemen aan EUPC waarbij het reeds 4 politieagenten binnen dit kader in actie heeft. De regering van de Republiek Cyprus is graag bereid een grotere bijdrage te leveren aan EUCP in ogenschouw nemende dat dit soort operaties van grote politieke waarde zijn voor de versterking van het EDVB.


De Europese Unie en de kwestie Cyprus


Van 1974 tot 1990



De Europese Unie en daarvoor de Europese Gemeenschap, heeft door de jaren heen een grote belangstelling en sensitiviteit getoond ten aanzien van de kwestie Cyprus.

Dit komt onder andere door het feit dat Cyprus middels een Associatieakkoord gelieerd is aan de Unie, Cyprus in een gebied ligt dat van groot politiek en economisch belang is en doordat de partijen die in de kwestie Cyprus betrokken zijn, te weten Griekenland, Groot-Brittannië en Turkije, nauwe banden hebben met de EU.

Binnen de Europese Politieke Samenwerking (die later evolueerde tot het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid) was Cyprus in 1974 een van de centrale aandachtspunten.

Volgend op de staatsgreep tegen de President van de Republiek Cyprus Aartsbisschop Makarios, gaf het Franse Ministerie van Buitenlandse Zaken op 16 juli 1974 uit name van de negen EG-leden een verklaring uit waarmee de negen regeringen hun ongerustheid uitten over de gebeurtenissen in Cyprus en hun steun betuigden voor het behoud van de onafhankelijkheid en terittoriale integriteit van Cyprus en zich keerden tegen iedere actie die hiertegenin druiste.

Op 22 juli 1974, twee dagen na de Turkse invasie van 20 juli 1974, gaven de Ministers van Buitenlandse Zaken van de Negen een nieuwe verklaring uit waarin men, zich beroepend op Veiligheidsraadsresolutie 353, alle partijen opriep zich te houden aan het staakt-het-vuren, om volledig mee te werken met de vredesmacht van de Verenigde Naties (UNFICYP) en om al het mogelijke te doen voor het herstel van de constitutionele orde van Cyprus. Tevens werd steun uitgesproken voor het Britse initiatief voor besprekingen in Genève tussen alle betrokken partijen.

De situatie in Cyprus kwam ook aan de orde tijdens de bijeenkomst van de Ministers van Buitenlandse Zaken in Parijs op 16 september 1974. Verontrust over de situatie van de vluchtelingen die en masse het door het Turkse leger bezette gebied verlieten, besloten de Ministers tot onmiddellijke humanitaire hulpverlening. Tegelijkertijd herhaalden zij hun steun voor de onafhankelijkheid en de territoriale integriteit van Cyprus.
De Europese Gemeenschap ondersteunde de vredespogingen van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties krachtens zijn mandaat van de Veiligheidsraad om te komen tot een rechtvaardige en duurzame oplossing van de kwestie Cyprus op de basis van de Resoluties van de veiligheidsraad. De EU zag af van autonome acties en beperkte zich tot het ondersteunen van de pogingen van de VN, dat men als het meest geëigende raamwerk voor de vredespogingen beschouwde.

De toetreding van Griekenland tot de EG in 1981 had tot gevolg dat de EG zich actiever met de kwestie Cyprus ging bezighouden teneinde de vredespogingen te bevorderen.

Een nieuw fait-accompli vond plaats in 1983 door de illegale declaratie van de zogeheten “Turkse Republiek Noord Cyprus” en de erkenning hiervan door Turkije, hetgeen leidde tot een scherpe veroordeling van de kant van de EG en de Tien ertoe bracht zich nog intensiever met de kwestie Cyprus bezig te houden met als uiteindelijk doel het vinden van een oplossing binnen het raamwerk van de VN.

Op 16 november 1983 gaven de Tien een gemeenschappelijke verklaring uit waarmee de oprichting van de zogeheten “Turkse Republiek Noord Cyprus”, in weerwil van de Resoluties van de VN, ten scherpste veroordeeld werd. De Tien bevestigden hun “onvoorwaardelijke steun voor de onafhankelijkheid, soevereiniteit, territoriale integriteit en eenheid van de Republiek Cyprus” en verklaarden dat zij de regering van President Kyprianou als de enige legitieme vertegenwoordiger van het eiland beschouwden. Voorts riepen zij alle betrokken partijen op om de illegale entiteit, die een precaire situatie creëerde in de regio, niet te erkennen. Turkije negeerde de oproep en erkende de illegale entiteit in het onder zijn bezetting staande gebied waarop de Tien op 27 maart 1984 reageerden met een gezamenlijke verklaring waarmee men Turkije opriep zijn erkenning in te trekken en om steun te betuigen aan de Secretaris-Generaal van de VN en zijn bemiddelingsmissie conform Veiligheidsraadsresolutie 541. De politiek van niet-erkenning van de illegale entiteit werd bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in juli 1994 (zaak 342/92).

Binnen het kader van de Europese Politieke Samenwerking volgde de EG van nabij alle ontwikkelingen op Cyprus en ondersteunde het de vredespogingen van de Secretaris-Generaal van de VN. De verklaringen van de Tien in het kader van de Algemene Vergadering van de VN gaven blijk van hun wil om te komen tot een rechtvaardige en duurzame oplossing van de kwestie Cyprus die “de onafhankelijkheid, soevereiniteit, territoriale integriteit en eenheid van Cyprus zal waarborgen conform de relevante Resoluties van de VN” (Toespraak van Roland Dumas, Minister van Buitenlandse Zaken van Frankrijk en voorzitter van de Raad van Ministers van de EG tijdens de 44ste Sessie van de Algemene Vergadering van de VN op 26 september 1989).

In juni 1985, naar aanleiding van de zogeheten “presidentiële verkiezingen” die het regime in het bezette deel van Cyprus had georganiseerd, gaven de Tien op 10 juni 1985 een verklaring uit waarmee zij herhaalden dat zij de zogenaamde “Turkse Republiek Noord Cyprus” niet erkenden en dat zij dientengevolge evenmin de zogeheten constitutionele ontwikkeling in noord Cyprus erkenden.”

Gedurende de besprekingen onder de auspiciën van de Secretaris-Generaal van de VN en de voorstellen die hij indiende in het midden van de jaren tachtig, werd de kwestie Cyprus herhaaldelijk uitgebreid besproken gedurende de verschillende bijeenkomsten van de Europese Raad.

De Europese Raad van Duiblin op 25-26 juni 1990 gaf naar aanleiding van de besprekingen over de kwestie Cyprus de volgende verklaring uit:

1. “De Europese Raad heeft in het licht van de impasse in de intercommunale onderhandelingen de kwestie Cyprus besproken.
2. Diep verontust over de situatie, herhaalt de Raad zijn voorgaande verklaringen voor het behoud van de onafhankelijkheid, de soevereiniteit en territoriale integriteit van Cyprus conform de relevante VN-Resoluties. In het licht van het feit dat de kwestie Cyprus de betrekkingen EU-Turkije beïnvloedt en tegen de achtergond van het belang van deze betrekkingen, benadrukt de Raad de noodzaak alle obstakels uit de weg te ruimen die in de weg staan van het vinden van een rechtvaardige en duurzame oplossing van de kwestie Cyprus op basis van de vredespogingen van de Secretaris-Generaal van de VN, zoals onlangs bevestigd door Veiligheidsraadsresolutie 649/90.”

Het belang van de Dublin declaratie was gelegen in het feit dat deze een nieuw element toevoegde, namelijk dat de kwestie Cyprus de betrekkingen tussen de EU en Turkije beïnvloedt.

De verklaringen van de Europese Raad en de Europese Politieke Samenwerking waren niet de enige voorbeelden die blijk gaven van de actieve belangstelling van de EU voor de kwestie Cyprus. Ook het Europees Parlement, gegeven zijn bijzondere belangstelling en gevoeligheid voor de mensenrechten en de democratische waarden heeft door de jaren heen grote belangstelling voor de kwestie Cyprus aan de dag gelegd.

De kwestie van mensenrechten op Cyprus tegen de achtergrond van de Turkse invasie en bezetting van een deel van de Republiek Cyprus is regelmatig aan de orde geweest in het Europees Parlement, niet alleen met betrekking tot Parlementsresoluties, maar ook met betrekking tot vragen gericht aan de Commissie en de Raad.

De problemen van de vluchtelingen, de vermisten, de vernieling en plundering van het cultureel erfgoed in Cyprus, de situatie van de Grieks-Cyprioten in het bezette gedeelte en de mensenrechten in het algemeen zijn telkens weer terugkerende thema’s in de Resoluties van het Europees Parlement aangaande de kwestie Cyprus.

Een duidelijk voorbeeld van de bezorgdheid van het Europees Parlement met betrekking tot de kwestie Cyprus is de volgende Resolutie die verscheen onder de titel “Voor het herstel van de het recht in Cyprus”. Deze stelde dat “de illegale bezetting van een deel van het territorium van een land geassocieerd met de Unie door militaire troepen van een geassocieerd partnerland vormt een groot struikelblok voor de normalisering van de betrekkingen met laatstgenoemde, te weten Turkije (par. 2)”. In par. 3 van dezelfde Resolutie worden de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU in het kader van de Europese Polieke Samenwerking verzocht om naar wegen te zoeken die moeten leiden tot het herstel van het recht in Cyprus en om specifieke aandacht te geven aan een nieuwe start van bicommunale onderhandelingen onder de auspiciën van de VN met als doel de vorming van de Republiek Cyprus tot een gedemilitariseerde federatie, bestaande uit twee deelstaten in juiste verhouding tot de bevolkingssamenstelling en met garanties voor de rechten van de twee gemeenschappen, de eigendomsrechten, het recht van vrij verkeer en van vestiging. In dezelfde Resolutie werd ook aandacht gevraagd voor het probleem van de vermisten en van de destructie van het cultureel erfgoed in Cyprus.

De algehele positie van het Europees Parlement, zoals tot uiting gekomen in de talrijke Resoluties met betrekking tot Cyprus, is dat de kwestie Cyprus duidelijk een Europees probleem is waarbij de grondbeginselen van de Unie in het geding zijn. Voor het Europees Parlement is het daarom van belang dat de oplossing van het probleem in lijn is met de principes en waarden van de Unie.


Van juli 1990 tot heden



Als gevolg van de aanvraag van de Republiek Cyprus voor het lidmaatschap van de EU op 3 juli 1990 werd de belangstelling van de EU voor de kwestie Cyprus alsmaar groter.

De kwestie Cyprus hield de Commissie intensief bezig tegen de achtergrond van de aanvraag voor het lidmaatschap, hetgeen blijkt uit zijn Opinie van 1993 waarin werd geconcludeerd dat “de Commissie ervan overtuigd is dat de toetreding van Cyprus tot de EU zal leiden tot meer voorspoed en veiligheid en dat dit de twee gemeenschappen op het eiland dichter bij elkaar zal brengen” (par. 49). Tevens werd vastgesteld dat “de Secretaris-Generaal van de VN weet dat hij kan rekenen op de steun van de EU voor wat betreft zijn pogingen om te komen tot een oplossing van de kwestie Cyprus (par. 49)”. Tot slot merkte het Commissierapport op dat “de Commissie er rekening mee dient te houden dat de intercommunale onderhandelingen, ondanks de bemiddelingspogingen van de Secretaris-Generaal van de VN, op een mislukking kunnen uitlopen. Indien zulks gebeurt is de Commissie van mening dat de situatie moet worden herzien tegen de achtergrond van de positie die ieder van de partijen heeft ingenomen gedurende de besprekingen en dat de toetreding van Cyprus tot de EU opnieuw moet worden gezien in januari 1995” (par 51).

De Raad van Algemene Zaken in Luxemburg op 4 oktober 1993 uitte zijn steun aan de benadering van de Commissie en op 7 februari 1994 werd commissieambtenaar Serge Abou benoemd tot EU-waarnemer bij de intercommunale onderhandelingen, die dezelfde dag van start gingen onder de auspiciën van de VN met als onderwerp de vertrouwenwekkende maatregelen.

Onder het oog van de EU-waarnemer liepen de intercommunale onderhandelingen wederom op niets uit als gevolg van de onbuigzame houding van de Turks-Cypriotische leider Rauf Denktash. In zijn rapport aan de Veiligheidsraad meldde de secretaris-generaal dat “de Veiligheidsraad zichandermaal met het bekende scenario geconfronteerd ziet: geen overeenkomst als gevolg van het gebrek aan politieke wil van de Turks-Cypriotische zijde.” (rapport Secretaris-Generaal aan de Veiligheidsraad van 30 maart 1994). De Europese Raad, in juni van hetzelfde jaar vergaderend in Corfu, besloot ondertussen dat Cyprus en Malta zouden deel uitmaken van de volgende uitbreidingsrondevan de EU, een besluit dat werd bevestigd op de Top van Essen.

Ondanks de scherpe protesten van Turkije was de Unie niet van plan Turkije enig vetorecht te geven ten aanzien van de toetreding van Cyprus tot de Unie. Dit was wel gebeurd indien de Unie de oplossing van de kwestie Cyprus als voorwaarde had gesteld voor de toetreding van het eiland tot de EU. Na diverse mislukte onderhandelingen binnen VN-kader was het een ieder duidelijk dat Turkije niet de politieke wil had om tot een oplossing van de kwestie Cyprus te komen. Door de toetreding van Cyprus afhankelijk te maken van de toestemming van Turkije zou, gegeven het verzet van Turkije hiertegen, de negatieve houding van Turkije alleen maar versterkt worden en de vooruitzichten op een oplossing alleen maar kleiner zijn worden.

De Raad van Algemene Zaken besloot op 6 maart 1995, na het rapport van de EU-waarnemer te hebben bestudeerd, dat op de basis van de Commissievoorstellen de toetredingsonderhandelingen met Cyprus zouden beginnen, zes maanden na de afronding van de Intergouvernementele Conferentie die in 1996 van start zou gaan. De Raad uitte tegelijkertijd zijn teleurstelling over het wederom mislukken van de intercommunale onderhandelingen en herhaalde zijn positie dat de toetreding van Cyprus voor veiligheid en voorspoed zou zorgen voor beide gemeenschappen op het eiland en de Turks-Cypriotische gemeenschap in het bijzonder. Deze positie werd herbevstigd tijdens verschillende daaropvolgende bijeenkomsten van de Europese Raad.

Het vooruitzicht van toetredingsonderhandelingen leidde tot een alsmaar intensievere betrokkenheid van de EU in de bemiddelingspogingen van de Secretaris-Generaal voor het vinden van een politieke oplossing. Verschillende Voorzitterschappen benoemden speciale vertegenwoordigers om de intercommunale besprekingen te volgen en het vinden van een oplossing te faciliteren. Individuele lidstaten namen soortgelijke initiatieven in geconcerteerde samenwerking met de Secretaris-Generaal van de VN.

In het historich rapport “Agenda 2000: de uitdaging van de uitbreiding” waarin de Commissie zijn laatste aanbevelingen gaf voor de toetredingsonderhandelingen van de Unie met de kandidaat lidstaten, kwam ook de Cyprus en de kwestie Cyprus uitgebreid aan de orde. Het rapport meldde o.a.:

“Vooruitzichten voor een politieke oplossing”
De Opinie van 1993 stelde vast dat Cyprus nog altijd verdeeld is. Pogingen die sindsdien, hoofdzakelijk onder auspiciën van de VN, plaatsvonden, hebben weinig resultaat opgeleverd. In de eerste helft van 1997 hebben de VN intensieve besprekingen gevoerd met de leiders van de twee gemeenschappen die leidden tot onderlinge directe besprekingen onder VN toezicht. Er bestaat gerede kans op vooruitgang nog voor de presidentiële verkiezingen in Cyprus in februari 1998.

Een politieke oplossing gebaseerd op een bicommunale bizonale federatie heeft de volle ondersteuning van de EU. Diverse territoriale en constitutionele plannen voor de implementatie van een dergelijke federatie zijn de revue gepasseerd en soms waren er tekenen van een beginnende consensus. Evenwel was er tot dusverre geen voldoende prikkel voor de partijen om een overeenkomst te sluiten.

De Unie is vastbesloten om een positieve rol te spelen teneinde een rechtvaardige en duurzame oplossing van het probleem te vinden conform de relevante VN-Resoluties. De status quo, die geweld doet aan het internationaal recht, brengt de stabiliteit op het eiland en de regio in gevaar en heeft implicaties voor de gehele veiligheid van Europa. De Unie kan en wil niet interveniëren in de constitutionele aspecten waarover de twee partijen onderhandelen maar is te allen tijde beschikbaar om te adviseren of en in hoeverre enig akkoord verenigbaar is met het Acquis. Het vooruitzicht van toetreding en de politieke en economische voordelen die hiermee gepaard gaan en die duidelijk zichtbaar zijn voor zowel de Grieks- als Turks-Cyprioten, kan de noodzakelijke prikkel vormen.”

Het begin van toetredingsonderhandleingen in maart 1998 zorgde voor een nog grotere betrokkenheid van de Unie bij de pogingen voor het vindne van een oplossing voor de kwestie Cyprus. De positie van de Unie is dat deze, ofschoon de toetreding van een verenigd Cyprus de voorkeur heeft, de oplossing van de kwestie Cyprus niet als voorwaarde stelt voor toetreding. De Europese Raad van Helsinki in December 1999 liet hierover geen enkel misverstand bestaan.

De Unie is voorts van mening dat de toetreding van Cyprus tot de EU grote voordelen met zich mee zou brengen voor de Turks-Cyprioten en dat de Turks-Cyprioten dit ook zelf dienden in te zien. De President van de Republiek Cyprus heeft de Turks-Cyprioten uitgenodigd vertegenwoordigers te benoemen voor deelname aan het onderhandelingsteam. De uitnodiging die op 12 maart 1998 was uitgereikt en was begroet door de EU, werd evenwel verworpen door het Turks-Cypriotisch leiderschap.

De EU ondersteunde het initiatief van de G8, hetgeen de goedkeuring had van de Veiligheidsraad middels Resolutie 1250, en hetgeen leidde tot een nieuwe start van de intercommunale onderhandelingen in 1999. Na het mislukken van deze hernieuwde onderhandelingen als gevolg van de terugtrekking van de leider van de Turks-Cypriotische gemeenschap, achtte de Unie de tijd rijp voor een grotere betrokkenheid die zou moeten leiden tot een hernieuwde en meer substantiële onderhandelingsronde.

Het bezoek van de voorzitter van het Europees Parlement Nicole Fontaine en van de voorzitter van de Europese Commissie Romano Prodi aan Cyprus gaven blijk van deze grotere betrokkenheid van de Unie en brachten enige beweeglijkheid in de positie van de Turkse zijde zodat in januari 2002 de onderhandelingen weer van start gingen.

De voorzitter van de Europese Commissie, vergezeld door de commissaris verantwoordelijk voor de uitbreiding Günther Verheugen, herhaalde tijdens een toespraak voor het Cypriotisch Huis van Afgevaardigden dat de oplossing van de kwestie Cyprus geen voorwaarde was voor de toetreding van Cyprus tot de EU. Voorzitter Prodi onderstreepte dat het EU-lidmaatschap voordelen voor álle Cyprioten met zich mee zou brengen en dat het in het met name de Turks-Cyprioten in de gelegenheid zou stellen in snel tempo hun levensstandaard te verhogen.

De voorzitter van het Europees Parlement Nicole Fontaine verwoordde dezelfde positie in nog sterkere mate tijdens haar bezoek aan Cyprus op 22-23 november 2001.

Sinds de Europese Raad van Dublin in juni 1990 heeft de Unie telkens weer de link gelegd tussen de Turks-Europese betrekkingen en de kwestie Cyprus. De kandidatuur van Turkije voor lidmaatschap van de EU geeft de Unie een extra gelegeneheid om invloed uit te oefenen op Turkije met betrekking tot de kwestie Cyprus. Zodoende vormt de kwestie Cyprus een substantieel deel van de beginselen van het accessie partnerschap tussen de Unie en Turkije en “moedigt de Unie Turkije aan om, tezamen met de andere betrokken partijen, de bemiddelingspogingen van de Secretaris-Generaal om te komen tot een succesvolle geheelomvattende oplossing van de kwestie Cyprus te blijven ondersteunen.”

Een belangrijke ontwikkeling vond plaats tijdens de Europese Raad van Helsinki in december 1999 toen uitdrukkelijk werd geformuleerd dat een politieke oplossing de toetreding van Cyprus zal vergemakkelijken. Indien bij de afronding van de toetredingsonderhandelingen nog geen oplossing is gevonden voor de kwestie, zal de Raad een besluit nemen over de toetreding zonder het bovenstaande als voorwaarde te beschouwen. De Conclusies van de Top van Helsinki gaven op heldere wijze te kennen dat de niet oplossing van de kwestie Cyprus geen hindernis zou vormen voor de pogingen van het eiland om lid te worden van de EU.

Refererend aan Cyprus stelde de Europese Raad van Laeken van 14-15 december 2001 dat de Raad de recente ontmoetingen tussen de leiders van de Griekse en Turkse gemeenschappen verwelkomen en hen aanmoedigen om hun besprekingen voort te zetten om zo te komen tot een geheelomvattend akkoord onder de auspiciën van de VN conform de desbetreffende Resoluties van de VN-Veiligheidsraad.”

De Europese Raad van Sevilla van 21-22 juni 2002 herhaalde dat de Conclusies van de Raad van Helsinki de basis vormen van de positie van de Unie vis-à-vis Cyprus en stelde dat de toetreding van Cyprus als herenigd eiland de voorkeur had. De Raad van Sevilla riep de leiders van beide gemeenschappen op “om hun besprekingen te intensiveren en te bespoedigen teneinde de unieke gelegenheid aan te grijpen voor het vinden van een geheelomvattend akkoord, conform de relevante Resoluties van de VN Veiligheidsraad, bij voorkeur vóór de afronding van de toetredingsonderhandelingen.”

De Unie gaf zijn volle steun aan de pogingen van de Secretaris-Generaal van de VN om te komen tot een geheelomvattende oplossing van de kwestie Cyprus conform de relevante VN Veiligheidsraadsresoluties en stelde dat in het geval een oplossing onverhoopt achterwege mocht blijven, de besluiten op de komende Europese Raad van Kopenhagen gebaseerd zullen zijn op de Conclusies van de Europese Raad van Helsinki van 1999.

De besluiten van de Raad van Kopenhagen van 12-13 december 2002 ten aanzien van Cyprus bevestigend, sprak de Europese Raad van Brussel op 20-21 maart 2003 zijn teleurstelling uit over het feit dat de bemiddelingspogingen van de Secretaris-Generaal van de VN geen resultaat hadden opgeleverd. In zijn Conclusies riep de Raad de Secretaris-Generaal van de VN op om zijn bemiddelingspogingen op de basis van zijn voorstellen voort te zetten en drong er bij de betrokken partijen op aan, en met name het Turks-Cypriotisch leiderschap, om de pogingen voor het vinden van een rechtvaardige, duurzame en functionele oplossing onverminderd voort te zetten.

Tijdens de Europese Raad van Kopenhagen in 2002 bespraken de EU leiders de kwestie Cyprus en besloten dat: “conform bovenstaande par. 3, Cyprus als nieuwe lidstaat zal toetreden tot de EU wanneer de toetredingsonderhandelingen zijn afgerond. De Europese Raad herhaalt evenwel dat het de voorkeur heeft voor de toetreding tot de Unie van een herenigd Cyprus. Tegen deze achtergrond begroet het de vastberadenheid van de Grieks- en Turks-Cyprioten om de onderhandelingen voort te zetten met als doel tegen 28 februari 2003 een geheelomvattende oplossing te vinden op de basis van de voorstellen van de Secretaris-Generaal van de VN. De Europese Raad is van mening dat deze voorstellen een unieke gelegenheid vormen voor het bereiken van een akkoord in de komende weken en dringt er bij de leiders van de Grieks- en Turks-Cypriotische gemeenschappen aan om deze kans niet voorbij te laten gaan. ”

De Europese Raad van Kopenhagen benadrukte dat: “de Unie herinnert aan zijn bereidheid om de randvoorwaarden van een akkoord te faciliteren conform de grondbeginselen van de Unie. In het geval van een akkoord zal de Raad, met unanimiteit en op de basis van voorstellen van de Commissie besluiten over aanpassingen van de voorwaarden betreffende de toetreding van Cyprus tot de EU met betrekking tot de Turks-Cypriotische gemeenschap.”

De leiders van de vijftien lidstaten besloten dat: “bij gebrek aan een oplossing de toepassing van het Acquis in het noordelijk deel van het eiland zal worden uitgesteld totdat de Raad bij unanimiteit en op basis van een Commissievoorstel anders besluit. In de tussentijd vraagt de Raad van de Commissie om, in nader overleg met de regering van Cyprus, naar wegen te zoeken voor de bevordering van de economische ontwikkeling van het noordelijk deel van Cyprus teneinde dit gedeelte dichter bij de Unie te brengen.”

Alle institutionele organen van de Unie (Europese Raad, Raad van Ministers, Europese Commissie, Europees Parlement) concentreerden zich op de kwestie Cyprus voor het vinden van een rechtvaardige en duurzame oplossing binnen het raamwerk van de VN en op basis van de desbetreffende VN Resoluties. Prominent betrokken was het Europees Parlement met de legitimiteit die het had via de directe verkiezingen van zijn leden door de burgers van de EU-lidstaten. Als reactie op de aanvraag van Cyprus voor het lidmaatschap van de EU, benoemde het Europees Parlement een rapporteur, de sociaal-liberaal W.Berthens die later werd opgevolgd door Jacques Poos, voormalig Minister van Buitenlandse Zaken van Luxemburg en later lid van het Europees Parlement, behorend tot de Socialistische Groep.

In een serie rapporten met betrekking tot de aanvraag van Cyprus voor het lidmaatschap van de EU en de Resoluties die op basis van deze rapporten waren aangenomen, maakte het Europees Parlement zijn positie duidelijk, zowel met betrekking tot de actuele ontwikkelingen rond de intercommunale onderhandelingen als met de inhoudelijke aspecten van de thema’s die besproken werden: de noodzaak voor respect van het internationaal recht, tenuitvoerlegging van de VN Veiligheidsraadsresoluties, respect voor de mensenrechten van álle Cyprioten, uitvoering door Turkije van de besluiten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en andere humanitaire onderwerpen, met name het probleem van de vermisten.

Op 16 april 2003 ondertekenden President van de Republiek Cyprus Tassos Papadopoulos en de Minister van Buitenlandse Zaken Georgios Iacovou in Athene het Verdrag van Toetreding van Cyprus tot de EU.

Het hierbijbehorend Protocol voor Cyprus voorziet “uitstel van toepassing van het Acquis in de delen van de Republiek Cyprus waarover de regering van de Republiek Cyprus geen effectieve controle heeft.” Het stelt voorts dat ïn het geval van een oplossing voor de kwestie Cyprus “de Raad unaniem en op basis van een voorstel van de Commissie zal besluiten over de aanpassing van de bepalingen betreffende de toetreding van Cyprus tot de EU welke betrekking hebben op de Turks-Cypriotische gemeenschap.”

Het Protocol bevestigt de bereidheid van de betrokken partijen om bij te dragen aan het vinden van een geheelomvattende oplossing van de kwestie Cyprus, conform de desbetreffende VN Veiligheidsraadsresoluties en hun steun voor de pogingen van de Secretaris-Generaal hiertoe.” Het stelt verder dat “de EU bereid is om de bepalingen van een akkoord in lijn te brengen met de grondbeginselen van de Unie en acht het wenselijk dat de toetreding van Cyprus tot de EU ten goede zal komen aan alle Cypriotische burgers en vrede en verzoening zal bevorderen.”

Het Protocol stelt tevens dat niets in de weg zal staan voor het nemen van economische maatregelen voor de gebieden die buiten de effectieve controle van de regering van de Republiek Cyprus vallen en dat dergelijke maatregelen de toepassing van het Acquis onder de voorwaarden zoals aangegeven in het Toetredingsverdrag in enig ander deel van de Republiek op geen enkele wijze zullen beïnvloeden.


Regulering EU nr.866/2004 krachtens artikel 2 van het Protocol nr.10 van de Toetredingsakte (Groene Lijn Regulering)



De zogeheten Groene Lijn regulering werd op 29 april 2004 aangenomen door de Raad van Ministers van de EU en is op 1 mei 2004 in werking getreden. De regulering voorziet vrije doorgang van personen en goederen door de bestandslijn (Groene Lijn) op Cyprus.


De regulering voorziet de volgende bepalingen ten aanzien van het personenverkeer:


EU burgers
    • EU-burgers hebben vrije doorgang over de Groene Lijn van en naar de gebieden die binnen de effectieve controle van de regering vallen, ongeacht de plaats waar ze de Republiek zijn binnengekomen.
    • Bij doorgang van het gedeelte wat buiten de effectieve controle van de regering valt naar het gebied dat wel onder de effectieve controle van de regering valt vindt persoonscontrole plaats waarbij het identiteitsbewijs, paspoort of eventueel andere reisdocumenten worden gecontroleerd.
    • Preventieve persoonscontrole kan plaatsvinden ter voorkoming van verstoring van de veiligheid en de openbare orde wanneer hiertoe gegronde vermoedens bestaan.
    • Het passeren van de Groene Lijn kan zonder en met auto. In het geval men de Groene Lijn per auto passeert, dient het voertuig te zijn geregistreerd in hetzij de Republiek Cyprus of enig ander EU-land of in het gebied dat buiten de effectieve controle van de regering valt.
    • Wanneer men de Groene Lijn per auto passeert kunnen bij tijd en wijle controles plaatsvinden ten aanzien van het voertuig en de voorwerpen die de inzittenden vervoeren.

Burgers uit derde landen


Het recht van vrije doorgang over de Groene Lijn geldt tevens voor de volgende categoriëen burgers uit derde landen:
    • Personen die de Republiek zijn binnengekomen via de legale toegangspoorten (havens en luchthavens in de gebieden die binnen de effectieve controle van de regering vallen) en/of die legaal op Cyprus verblijven.
    • Personen waarvoor geen visumplicht geldt en die de Republiek zijn binnengekomen via niet-geautoriseerde toegangspoorten (havens en luchthavens in de gebieden die buiten de effectieve controle van de regering vallen).
    • Personen die legaal verblijven in de gebieden die buiten de effectieve controle van de regering vallen en die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning van het Ministerie van Migratieaangelegenheden van de Republiek.
    • Personen voor wie een visumplicht geldt en die de Republiek zijn binnengetreden via niet-geautoriseerde toegangspoorten maar die wel in het bezit zijn van een geldig visum.
    • Personen die in het bezit zijn van een langdurig visum afgegeven door een andere EU-lidstaat en die over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd beschikken in een willekeurige andere EU-lidstaat en het recht hebben om vrij binnen de EU te reizen en die de Republiek zijn binnengekomen via niet-geautoriseerde toegangspoorten.

Voorts geldt het volgende:
    • Personen dienen te beschikken over hetzij een verblijfsvergunning, een geldig reisdocument of een geldig visum.
    • Personen waarover informatie bestaat dat zij een gevaar kunnen vormen voor de openbare orde en veiligheid mogen de Groene Lijn niet passeren.
    • Wanneer men de Groene Lijn per auto passeert kunnen bij tijd en wijle controles plaatsvinden ten aanzien van het voertuig en de voorwerpen die de inzittenden vervoeren.
    • Burgers uit derde landen voor wie een visumplicht geldt en die de Republiek via niet-geautoriseerde toegangspoorten binnenkomen en niet over een geldig visum beschikken mogen de Groene Lijn niet passeren. Ten aanzien van hen gelden, tenzij het asielaanvragers betreft, de wettelijke regelingen betreffende de illegale toegang tot de Republiek krachtens de immigratie- en vreemdelingenwet.

Andere persoonscategorieën
    • Kinderen uit gemengde huwelijken tussen Turks-Cypriotische burgers en buitenlanders afkomstig van welk land dan ook mogen de Groene Lijn van en naar de gebieden die onder de effectieve controle van de regering vallen passeren, ongeacht of de ouder uit het buitenland illegaal in de Republiek verblijft of deze op illegale wijze is binnengekomen.
    • Buitenlandse echtgenoten van Turks-Cypriotische burgers mogen de Groene Lijn van en naar de gebieden die onder de effectieve controle van de regering vallen passeren, ongeacht of deze illegaal in de Republiek verblijven of deze op illegale wijze zijn binnengekomen.
    • Personen in bovenstaande twee categorieën zijn onderworpen aan persoonscontrole bij de overgang door de Groen Lijn (middels controle van identiteitsbewijs, paspoort of enig ander residocument). Indien voor buitenlandse echtgenoten van Turks-Cypriotische burgers een visumplicht geldt is het voor hen niet verplicht een visum bij zich te hebben wanneer zij de Groene Lijn willen passeren.



Please click here to print this document.
Afdrukken